27 april 2011, 9:14   Linda Hell

Debat over spanningsveld voorlichting en journalistiek

Debat over spanningsveld voorlichting en journalistiek

De Nederlandse media moeten zich veel assertiever opstellen tegenover de pr- en communicatiesector willen zij hun onafhankelijkheid werkelijk bewaken. Dat komt naar voren uit de studie ‘Gevaarlijk spel. De verhouding tussen pr & voorlichting en journalistiek’, die gisteren in de Balie te Amsterdam werd gepresenteerd tegelijk met een debat over dit onderwerp.

De studie is een vervolgonderzoek op een in 2004 uitgevoerde studie over de rol van de journalistiek in een veranderend medialandschap waarin de relatie tussen journalistiek en pr/voorlichting centraal staat. ‘Gevaarlijk spel’ is gebaseerd op onderzoek van Mirjam Prenger, Leendert van der Valk, Frank van Vree en Laura van der Wal, verbonden aan de masteropleiding Journalistiek van de Universiteit van Amsterdam.

Naar aanleiding van de verschijning van het boek is op 26 april jl. in De Balie een debat gehouden over het spanningsveld tussen pr en journalistiek met onder anderen Bas Heijne en Kay van de Linde.

De herhaling van het debat kan worden bekeken via de website van De Balie (tot: 27 apr - 19:00 uur).


Reacties

Ik denk dat journalisten meer zelfbewust moeten opereren, dat wil zeggen minder arrogant (alsof alleen zij de objectieve hoeder zijn van normen en waarden in de vrije wereld) en meer systematisch, door de feiten en belangen die spelen gedegen te inventariseren. Arrogantie komt vaak voort uit onzekerheid, een groter zelfbewustzijn maakt daaraan een einde.

Een grotere systematiek voorkomt luiheid en willekeur die er nu soms voor zorgt dat leugens niet worden doorgeprikt en dat er alinea's lang wordt gezeurd over een detail dat niet klopt, terwijl de kern van het onderwerp niet wordt geraakt.

Rob Visser   27 april 2011, 17:02 (link)

 

Journalisten kunnen nog steeds niet tellen

Met het Uva-onderzoek “Gevaarlijk Spel, een analyse naar de verhouding tussen pr & voorlichting en journalistiek.” herhalen Van Vree en Prenger hun noodkreet uit 2004: “Schuivende grenzen. De vrijheid van de journalist in een veranderend medialandschap”. Kortweg suggereren Van Vree en Prenger - beiden volgens hun online CV’s nog nooit als voorlichter of PR-consultant werkzaam geweest – dat journalisten zich stelselmatig en in toenemende mate in de luren laten leggen door voorlichters en PR-consultants. Klinkklare onzin, weet ik na 10 jaar als PR-consultant bij een bureau dat verder overigens niet te klagen heeft over goede contacten met de media.
Het kwantitatieve bewijs is volgens de NRC (Herman Staal, 26 april jl) dat de “PR-machine in vier jaar bijna verdrievoudigd is”. Er zouden inmiddels “tussen de 135.000 en 156.000 voorlichters, pr-medewerkers en andere communicatiespecialisten tegenover 15.000 journalisten” staan. In 2004 zou het gaan om 13.000 journalisten “tegenover” 55.000 werknemers in de communicatiesector. Daarmee begaat de NRC in 2011 dezelfde fout als de Volkskrant die in 2004 even klakkeloos de toenmalige getallen van Van Vree en Prenger overnam. Journalisten van deze kwaliteitskranten en onderzoekers in ivoren torens vinden het duidelijk makkelijker om aan voorlichterbashing te doen dan aan kritische zelfreflectie. Die analyse is niet van mij: ik verwijs graag naar de ingezonden brief van (inmiddels emeritus) hoogleraar communicatiewetenschap (aan de UvA) Van Ruler die met communicatieprofessional Smithuis in de Volkskrant reageerde op 15 mei 2004 en de getallen van Van Vree en Prenger toen al met de grond gelijk maakte. Van Ruler weet waar ze het over heeft: na 17 jaar ervaring als voorlichter heeft ze haar wetenschappelijke carriere grotendeels is gewijd aan het in kaart brengen van de communicatiebranche (zie hier de url: http://bit.ly/k6iP1i).

En dan het kwalitatieve bewijs van de onderzoekers. In de krant wordt gewezen op verhalen van “een woordvoerder van een ministerie”, “een communicatieadviseur”, “een communicatiemedewerker van DSM” en “een PR-medewerker van het voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat”. Zijn dat de meest overtuigende kwalitatieve bronnen die onderzoekers en journalisten kunnen verzamelen? Onderzoek dat ik in 2009 deed met oud-journalist Edi Cohen naar de grenzen van transparantie (http://www.businesscontact.nl/result_titel.asp?Id=2652) aan de hand van 33 – niet geanonimiseerde – interviews met uiteenlopende ervaringsdeskundigen geven een totaal ander beeld. Zowel voor- als tegenstanders van transparantie erkennen dat de huidige maatschappelijke transparantie ongekend is. De daarbij geïnterviewde journalisten zijn niet te beroerd kritisch op hun eigen beroep te zijn. Zo zegt topinterviewer Frénk van der Linden dat de journalistiek nog veel kan winnen aan professionaliteit en ethiek: “Je hoeft maar een keer geïnterviewd te worden om te weten wat de beperkingen van journalisten zijn.” Eef Brouwers, die als journalist en als voorlichter een een smetteloze reputatie heeft, zegt over de media: “We vragen veel, maar zelden de goeie dingen”. Arendo Joustra, hoofdredacteur van Elsevier en voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, ziet toch vooral verbetering: “Toen ik in 1980 bij de Volkskrant begon waren er zestig journalisten die zestien pagina’s produceerden; kijk nu eens wat je in de bus krijgt. Ik zie een aantal oorzaken voor structurele verbetering: het aanbod van media die voor iedereen toegankelijk zijn is ruimer; de interne pluriformiteit per medium is groter; journalisten zijn beter opgeleid; de primaire bronnen zijn toegankelijker en de ruimte om informatie te geven is groter. Media hebben, met vallen en opstaan, geleerd internet te zien als een kans, en om meer te vechten voor een eigen publiek, dat een professioneel medium toch – terecht – meer vertrouwt dan een amateur.”
Tot slot kan ik uit eigen ervaring bevestigen dat – gelukkig maar – nieuwsberichten van klanten die mijn bureau vertegenwoordigt zonder uitzondering kritisch worden gewogen door de media die wij benaderen. Ik heb ook niet de indruk dat bijvoorbeeld voormalig topman Tony Hayward van BP in 2010 of Ella Vogelaar tegenover GeenStijl in 2008 zich beschermd wisten door een overmacht aan spindoctorende voorlichters.

Ik sla journalisten en onderzoekers veel hoger aan dan zij zich nu presenteren.

Piet Hein Coebergh
http://www.coebergh.nl

Piet Hein Coebergh   1 mei 2011, 13:58 (link)

 

Piet Hein,

Je hebt deels gelijk. Er is nu meer transparantie dan vroeger. Ik lees momenteel een biografie over Colijn, premier in de jaren dertig. Die had de pers beter onder controle dan Rutte.
Op de cijfers over de krachtsverhoudingen tussen pers en pr in het Uva-onderzoek is van alles af te dingen.
Maar dat neemt niet weg dat onafhankelijke media hun inkomsten de laatste tien jaar hebben zien slinken, terwijl overheid en bedrijven nieuwe blikken spindocters hebben kunnen opentrekken.
Als journalist bij een landelijk dagblad zie ik daarvan elke dag de consequenties. Er zijn er twee.
In de eerste plaats zijn we met te weinig en te weinig terzakekundige mensen om het 'inkomende' nieuws goed te verslaan. Een minister die een nieuw plan lanceert of een beursfonds dat cijfers bekendmaakt, geeft vaak een zeer eenzijdig beeld van de werkelijkheid. Er wordt regelmatig gelogen. Onze krant slaagt er lang niet altijd in om zulke gekleurde beelden of onwaarheden door te prikken.
Laat staan dat we vaak en goed genoeg eigen onderzoek kunnen doen naar gebeurtenissen of misstanden. Dat is de tweede consequentie. Mijn collega's en ik zien en horen regelmatig over kwesties bij overheden en bedrijven die nader onderzoek verdienen. Te vaak kunnen wij er niets mee doen. Onderzoek kost tijd en levert niet altijd iets op. Dat soort risico's nemen kranten steeds minder.
En dan werk ik nog voor een medium dat als kwaliteitskrant wordt bestempeld.
Piet Hein, kijk je wel eens naar de rotzooi die er in Spits, Metro, De Pers staat? Of naar Nu.nl en andere websites? Ze worden gemaakt door kleine aantallen, onervaren, meestal niet gespecialiseerde mensen, die vooral snel, veel stukjes moeten tikken. Zij bieden de overheid en het bedrijfsleven geen tegenwicht. Van echte eigen nieuwsgaring is geen sprake.
De gratis kranten en de snel groeiende nieuwsverzamelaars op internet worden wel opgevoerd als succesvoorbeelden van nieuwe journalistieke modellen. Maar ze brengen nauwelijks eigen nieuws en adverteerders, spindocters en de waan van de dag bepalen de redactionele agenda.
Arendo Joustra legt in jouw bijdrage de nadruk op de positieve ontwikkelingen, die er natuurlijk ook zijn. Mijn kanttekening daarbij is dat Joustra voor Elsevier werkt, een weekblad dat geen eigen nieuws brengt, maar vooral commentaartjes, interviews, en lifestyleverhalen. Dat schrijft een stuk makkelijker. Joustra is er trots op dat publicaties als de zijne nu meer tekst leveren met minder mensen. Maar hoe zit het met serieuze nieuwsgaring en onderzoek?
Piet Hein, nog een ding. Jij voert het optreden van Geenstijl ten opzichte van minister Vogelaar op als illustratie van de kracht van de journalistiek. Ik vind het eerder een pijnlijke illustratie van hetgeen er mis gaat.

dagbladjournalist   1 mei 2011, 19:05 (link)

 

Beste dagbladjournalist,

Leuk dat je reageert! Begrijp alleen niet goed waarom je dat anoniem doet, maar goed. Blij dat je het met me eens bent dat er nu meer transparantie is dan vroeger. Wat is dan het probleem? Dat "onafhankelijke" media minder budget hebben? Ten eerste: wat is onafhankelijk? De NOS? De BBC? Fox News? CNN? RTL? De Vara? De kranten van Rupert Murdoch? Jazeker, overheden en bedrijven communiceren nu actiever dan vroeger. Goed nieuws! Hoe meer dialoog hoe beter. Je geeft echter aan dat jullie te weinig goede mensen hebben om het "eenzijdige" beeld van bedrijven en overheden kritisch te beoordelen. Sterker nog, je stelt: "Er wordt regelmatig gelogen." Hoe weet je dat? Als dat zo is, en je kan het aantonen, lijkt me dat nog steeds nieuws, dus breng het vooral.
Je kan niet alles als krant doorprikken inderdaad. Gelukkig hebben we daarom steeds meer media, bloggers, analisten, commentatoren en zelfs burgerjournalisten die ook graag van zich laten horen en feiten kunnen doorprikken. Mede daarom is er meer transparantie dan ooit. Ik weet dat onderzoek doen tijd kost en niet altijd iets oplevert, althans niet altijd slecht nieuws. Dat lijkt me geen reden om dat (ondernemers)risico niet meer aan te gaan. Ik geef ook toe dat wat in Spits, Metro, De Pers en nu.nl staat tot op heden wat minder scherp is dan wat de klassieke kwaliteitskanten bieden. Evengoed dragen zij bij aan verbreding van de nieuwsconsumptie, en dat blijft voor mij goed nieuws.
Ik ben het niet met je eens dat Elsevier geen bijdrage levert aan nieuwsgaring. Het is niet mijn favoriete blad maar ze hebben een doordachte mening, commercieel succes en ze investeren jaarlijks tonnen in ranglijstjes die wel degelijk voor opzienbarende resultaten zorgen. Ik heb meer vertrouwen in de ziekenhuislijst van Elsevier dan de machtigemensenlijst van de Volkskrant, om maar wat te noemen.
Tot slot de kennelijke vijand van de gevestigde journalistieke orde: Geenstijl. Ja, ik vind de Vogelaar-affaire wel degelijk een voorbeeld van de kracht van journalistiek. Het was een genante vertoning, maar zij faalde, niet hij. Ik ben geen fan van de Castricum-stijl maar feit is dat hij soms spannende en relevante TV maakt (bijvoorbeeld door de mobieltjes van politici te kraken:
http://www.powned.tv/nieuws/politiek/2011/03/pownews_smst_politici.html). Ook vind ik dat Geenstijl (i.c. Bert Brussen) een grote bijdrage heeft geleverd, misschien de grootste, aan HBO-gate. Dergelijk lef en doorzettingsvermogen mis ik bij de journalisten die ik in de Balie aan het woord zag.

Beste groeten,
Piet Hein Coebergh

Piet Hein Coebergh   2 mei 2011, 0:44 (link)

 

@ Coebergh

Dit is, wat ik zou willen noemen, een overspannen reactie, niet gebaseerd op lezing van de studie maar op krantenberichten. Twee voorbeelden:
1. Wanneer Coebergh de tekst had gelezen, had hij kunnen zien dat de berekeningen voortbouwen op later onderzoek van de door hem zo bewonderde Van Ruler. In onze studie worden die cijfers bovendien verregaand genuanceerd, waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat veel van de 135/156.000 werkers in de sector nooit met de media in aanraking komen;
2. Er wordt in het rapport niet aan bashing van de communicatiesector gedaan: integendeel, er wordt gesproken van een sterk geprofessionaliseerde sector, die doet waarvoor ze worden betaald. De interviews met de voorlichters van representatieve bedrijven en instellingen onderstrepen dat. De kritiek in het rapport betreft de journalistiek, die zich hiervan te weinig rekenschap geeft en haar eigen positie systematisch overschat. Dat is dan ook de hele inzet van de studie en de discussie. Dat er in de journalistiek de laatste dertig jaar op sommige punten ook vooruitgang is geboekt, doet niets af aan het feit dat de druk op dit punt aanmerkelijke groter is geworden.

Frank van Vree   3 mei 2011, 13:55 (link)

 

Geachte heer Van Vree,

ad 1: Ja ik weet dat uw getallen gebaseerd zijn op die van Van Ruler; dat had zij in haar door mij aangehaalde ingezonden brief in de Volkskrant al vermeld, waarbij zij stelt dat haar getallen verkeerd gebruikt zijn. Zij besluit haar stuk als volgt: "Niemand heeft de bron van het onderzoek geraadpleegd (van beide onderstaande auteurs). Daarmee is het een klassiek geval van spindoctering: het manipuleren van de waarheid."

ad 2: Het klopt dat ik uw rapport nog niet gelezen heb. Ik heb mogelijk hier een fout gemaakt: ik vertrouwde op de berichtgeving in de NRC. Daarnaast heb ik het gehele videoverslag van het (oprecht zeer interessante) debat in De Balie bekeken. Mij viel in al die verslaglegging (ook in de Volkskrant) vooral op dat (veel) journalisten alles wat met PR en voorlichting te maken heeft als de vijand zien, betaald om de waarheid te verdoezelen. Ik begrijp daar nog steeds weinig van. En voorzover dat waar zou zijn blijf ik, uit ervaring, optimistischer over de kracht van de pers.

Beste groeten,
Piet Hein Coebergh

Piet Hein Coebergh   3 mei 2011, 14:19 (link)

 

geachte heer Coebergh,

Kijk, zo blijven de sprookjes in de wereld: mevrouw Van Ruler baseerde zich in haar kritische reactie in 2004 (!) niet op de tekst in Schuivende Grenzen, maar op de berichtgeving in de kranten: in werkelijkheid bleken de resultaten in beider onderzoeksrapporten namelijk helemaal niet zo ver uit elkaar te liggen.
En wat doet u nu: u neemt de laatste zin uit dit commentaar op krantenberichten en zet die vervolgens op suggestieve manier in om de cijfers over 2010 in Gevaarlijk Spel - dat u niet heeft gelezen - in twijfel te trekken Als u de tekst ha gelezen, zou u hebben gezien dat daarin wordt voortgeborduurd op ander later onderzoek, o.a. van mevr. Van Ruler uit 2005-2006, waarbij de verschillende berekeningswijzen in detail worden toegelicht. Niet of slecht lezen, maar intussen afgeven op wetenschappers in 'ivoren torens'. Dat is wel erg makkelijk, sorry dat ik het zeg.

frank van vree   3 mei 2011, 15:51 (link)

 

Geachte heer Van Vree,

Mijn eerste reactie hierboven heeft als titel: "Journalisten kunnen nog steeds niet tellen", en ik citeer de NRC van 26 april jl over uw rapport. De NRC meldt als basis "soortgelijk onderzoek uit 2004" waarin "55.000 werknemers in de communicatiesector" geteld zijn "tegenover 13.000 journalisten". Precies deze getallen haalde Van Ruler inderdaad al in 2004 onderuit, ik gaff daarbij hierboven de url van haar ingezonden stuk (en voor sommige lezers hierbij nogmaals: http://bit.ly/k6iP1i). Ik zie niet waarom haar analyse toen en nu niet zou klopppen, maar ik leer graag bij. Ik verzin dus niks maar stel vragen, met referenties, bij de kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing uit uw rapport die via de NRC (en NRC Next) tot mij komt. Of moet ik begrijpen dat de NRC onnauwkeurig is? Dat maakt dat ik uw rapport met extra belangstelling zal lezen.

Beste groeten,
Piet Hein Coebergh

Piet Hein Coebergh   4 mei 2011, 9:41 (link)

Reageer


(huisregels)
Plaats reactie




 

 

Boekentips en meer

 

Tips uit de praktijk

Onderzoek: hoe erg is een spelfout?
Hoe erg is het als er spelfouten in een sollicitatiebrief staan? Denken de ontvangers slechter over een sollicitant die niet kan spellen? Vinden ze hem minder deskundig, onbetrouwbaarder en dat hij zich beter voordoet dan hij is? En hoe zit dat bij sponsorwervingsbrieven - is het effect daar sterker of minder sterk?